Willem Holleeder, de wielrenner

• GRATIS •


willem-holeeder-sr


‘Ja, dat is die ouwe, daar staat-ie.’ In het huis van bewaring De Schie in Rotterdam lacht Willem Holleeder enthousiast. Zijn advocaat Jan-Hein Kuijpers is op bezoek en heeft oude foto’s meegenomen van zijn vader, die ook Willem heette. Ze zijn gemaakt in de tijd dat Willem sr. een behoorlijk goede wielrenner was. De foto’s roepen mooie herinneringen op bij zijn zoon, die wel wat afleiding kan gebruiken. Sinds zijn arrestatie in januari 2006 zit hij vast. Nu wacht hij op behandeling van het hoger beroep dat hij tegen zijn veroordeling wegens afpersing heeft aangespannen. Ook heeft het Openbaar Ministerie hem beschuldigd van betrokkenheid bij de liquidatie van een Joegoslavische drugshandelaar. Holleeder ontkent.


Willem Holleeder jr. is van 1958. In dat jaar is de wielercarrière van zijn vader, die is geboren in 1927, al voorbij. Toch ziet hij als jongetje in de jaren zestig regelmatig wielerpelotons van dichtbij. Zijn vader, die dan op de marketingafdeling van Heineken werkt, rijdt tijdens koersen in een reclamewagen voor de renners uit en neemt hem dan mee. Via zijn advocaat vertelt Holleeder: ‘Pa zette de auto wel eens stil en liet de karavaan passeren. Dan moest ik uitstappen en doen alsof ik ging pissen. Mijn vader wachtte op de achterblijvers en schreeuwde dat ze aan de wagen moesten gaan hangen. Dan bracht hij ze zo ver mogelijk terug naar het peloton, de jury merkte er niets van.’

Willem Holleeder senior verkeerde tientallen jaren in het wielermilieu. In de jaren veertig en vijftig was de Amsterdammer een coureur met dromen en ambities. Dromen van de gele trui, de Ronde van Vlaanderen of misschien alleen maar van de Ronde van de Indische Buurt. De legendarische Henk Faanhof heeft nog met Holleeder gereden. In zijn woning aan de Amsterdamse Westerstraat bekijkt Faanhof een clubblad van Olympia uit 1951. Op een foto zie je hem, Holleeder en vier anderen in actie tijdens een ploegentijdrit in de Haarlemmermeer. De Olympianen zetten de snelste tijd neer en de amateurwereldkampioen van 1949 herinnert zich dat Holleeder die dag net zo sterk reed als hij: ‘Willem was geen uitblinker. Het was geen sprinter, het was geen klimmer, en het was geen achtervolger.Maar je kon hemgoed gebruiken om op kop te rijden, zeg maar zoals het gros van de wielrenners. In het peloton kunnen die er verschrikkelijk veel vaart in zetten.’

De oorlog is net voorbij wanneer Henk Faanhof, zelf 23, de vijf jaar jongere Holleeder leert kennen bij het Amsterdamse Olympia, een van de topverenigingen van Nederland. Willem Holleeder heeft talent en rijdt als nieuweling meteen prijzen. Faanhof en hij zijn maatjes op de club, geen speciale vrienden, gewoon sportvrienden die elkaar vaak tegenkomen bij het trainen. ‘En in het voorjaar reden we samen van Naarden, naar hoe heet het, hier pal bij Amsterdam, aan de Zuiderzeekant, de IJsselmeerkant bedoel ik. Vroeger woonde daar Lou de Palingboer. Rechte weg, Muiderberg ja. Dat was de openingswedstrijd van Olympia, 5 kilometer van Naarden naar Muiderberg. Daar stonden tweehonderd man aan het vertrek, jeugd en nieuwelingen, amateurs en beginnelingen, alles bij elkaar. Een heel lange sprint. Ik heb ’m een keer gewonnen.’

In dezelfde tijd wordt ook Willems broer Gerrit lid van Olympia, zo vertelt hij in zijn woning in een Noord-Hollandse polder. ‘Ik ben door hem gaan wielrennen, hij gaf mij een fiets.’ Gerrit Holleeder rijdt een paar jaar enthousiast mee bij de club, maar wint nooit een koers. ‘Wel vaak tweede geweest.’ Van de ene op de andere dag besluit Gerrit te stoppen en zal hij nooit meer een racefiets aanraken. Hij krijgt een baan als scheepstimmerman bij Maatschappij Nederland en vaart jarenlang over de wereldzee.n. Veel herinneringen aan zijn fietsende broer heeft hij daarom niet. Ook Appie Donker meldt zich na de oorlog bij Olympia. Ap Donker, de latere prof die deelname aan de Tour net misloopt, maar in 1957 w.l de Giro rijdt. Hij trekt als tiener veel met Willem op, vertelt Donker in zijn flat in Amstelveen. ‘We gingen samen naar Ajax en daarna kaartten we bij zijn ouders. Zijn vader heeft voor mij nog eens een prijzenkast getimmerd.’ Donker en Holleeder trainen veel samen, rondje Loosdrecht bijvoorbeeld, of een langere trainingsrit naar Arnhem of Den Bosch en terug.
Een paar jaar na de oorlog is Holleeder oud genoeg om bij de amateurs te rijden. In augustus 1949 wint hij de Ronde van Tuindorp-Maartensdijk, een wedstrijdje bij Utrecht. Het cluborgaan jubelt: ‘Prima Willem, en nu op deze weg d..rgaan.’ Een van de eerste keren dat zijn naam in de krant staat is op 18 september van dat jaar wanneer een criterium in het Vondelpark wordt georganiseerd. Het publiek is massaal opgekomen. Veertig-, vijftigduizend mensen, zes rijen dik, beweert Faanhof. Bij de profs staan Gerrit Schulte en Theofiel Middelkamp aan het vertrek, gelokt met een riant startgeld. In de amateurkoers is Faanhof de speciale attractie, omdat hij kort daarvoor in Kopenhagen wereldkampioen is geworden. Burgemeester d’Ailly lost het startschot. Bijna zestig jaar later moppert Faanhof n.g over het koersverloop. ‘De hele wedstrijd zaten ze bij me op het wiel, omdat ik in de regenboogtrui reed. Ik zat ingesloten de laatste ronde. Patsi Willekes, die demarreerde uit de bocht vandaan. En ik klopte hem… n.t niet.’ Willem Holleeder wordt vijfde in de sprint.

Het was de tijd van de straatcriteriums, wedstrijden die in de meeste gevallen niet meer bestaan. Faanhof: ‘Toen in die tijd had je er praktisch elke dag twee of drie. In het centrum van Amsterdam had je er al een stuk of zeven, acht per jaar: de Ronde van de Orteliusstraat, de Albert Cuypstraat, de Lindengracht, de Indische Buurt. Je hebt hier voor de deur ook een criterium gehad.’ Faanhof laat een koperen asbak vol peuken zien met een inscriptie op de onderkant: ‘Ronde van de Westerstraat – 1e prijs – Koninginnedag 1949’. ‘Ik rook niet hoor, die peuken zijn van mijn vriendin.’ De amateurs steken hun schaarse vrije uurtjes in het wielrennen, iedereen werkt in die magere jaren hard voor een baas. Holleeder is chauffeur bij jeneverstoker Hoppe en bekostigt zijn materiaal uit smalle beurs. Faanhof: ‘Er was toen met fietsen helemaal niks te verdienen. Bij die straatrondjes kochten de organisatoren twee racefietsen. En was de eerste prijs een fiets. En de tweede prijs, dat was ook een fiets maar die was helemaal uit elkaar gehaald. De tweede prijs was een frame, de derde prijs een stel wielen, de vierde prijs een stel pedalen, de vijfde prijs een zadel, de zesde en zevende prijs een stel remmen en de achtste prijs een stel tuben. In die volgorde.’
De meeste wedstrijden zijn een kilometer of honderd, maar de kalender wordt langzaam uitgebreid met langere koersen. De Ronde van Noord-Holland is een van de eerste klassiekers. Faanhof: ‘Dat was een dikke 200 kilometer. Helemaal door Noord-Holland heen naar Den Helder toe en dan van Den Helder over Egmond, Beverwijk en dan weer terug naar Zaandam. Later kreeg je Amsterdam-Arnhem-Amsterdam en Breda-Antwerpen-Amsterdam, dat was de Benelux-wedstrijd. Dat was heel anders koersen, meer pelotonrijden op die lange wegen. Ook in de klassiekers was Holleeder een goeie, hij zat vaak bij de eerste tien.’ Willem Holleeder zou hebben gebloosd als hij het compliment van Faanhof had kunnen horen. In De Schie vertelt Willem junior dat Faanhof de held was van zijn vader. ‘Tijdens een koers stond hij eens zijn fiets af aan 681 willem holleeder, de wielrenner Faanhof, want die had een lekke band. Pa moest maar zien hoe hij bij de finish kwam. Maar toen hij hoorde dat Faanhof op zijn fiets had gewonnen, was hij ontzettend trots. Hij had het er vaak over.’

Faanhof herinnert zich Willem Holleeder als een heel vriendelijke, behulpzame jongen, iemand bij wie je altijd terecht kon. ‘Het was een vrolijke jongen, altijd lachen, gieren, brullen. Maar heel serieus met fietsen, hoor, een doorzetter, hij deed dit niet en dat niet en zus niet en zo niet, hij dronk niet. Helemaal honderd procent sportman.’ Wel raakt Holleeder snel uit zijn evenwicht. ‘Hij kon geen onrecht hebben als-ie afgesneden werd of er niet tussen mocht in het peloton, dan werd ie kwaad, dan ging-ie schelden. Als-ie goed gereden had, dan was d’r goed mee te praten. Maar anders liep Willem te kankeren, hij had wel karakter.’ Dat Willem Holleeder geen onrecht kon verdragen, valt op te maken uit het verslag van het Nederlands clubkampioenschap van 1949 op de Veluwe. Olympia wordt verdienstelijk vierde in de ploegentijdrit maar, zo schrijft het cluborgaan: ‘wel moest Holleeder ten slotte lossen, doch opgeven was er niet bij en op enige afstand volgde hij de ploeg om zonodig als reserve dienst te doen. Hij toonde begrip voor zijn taak te hebben.’ In het volgende nummer verschijnt een rectificatie onder de kop: ‘Dat was de oorzaak!’ Holleeder blijkt te zijn afgehaakt vanwege een lekke band. Zou hij hebben geklaagd bij de redactie?

In 1950 wordt Holleeder steeds beter, getuige het verslag van de door Olympia georganiseerde Beneluxwedstrijd over 260 kilometer. ‘Wim Holleeder, de brutale rakker, die in de laatste wedstrijden reeds blijk gaf geen ondergeschikte rol meer te willen spelen, had met Verstraeten en Van Dongen, beiden uit Breda, 150 meter voorsprong.’ Het trio wordt ingelopen, maar Holleeder handhaaft zich voorin. ‘Het gezelschap veranderde nogal eens, maar Holleeder bleef op kop. Van het peloton heeft hij maar bitter weinig gezien.’ Holleeder wordt uiteindelijk zevende v..r mannen als Hein van Breenen en Jan Nolten. Als eerbetoon drukt het clubblad zijn pasfoto af.
Bij het nationaal clubkampioenschap op de Veluwe leidt hij Olympia naar brons in de ploegentijdrit over 116 kilometer, terwijl Faanhof moet lossen. Nog meer lof van het clubblad is zijn deel: ‘Willem Holleeder, de man die zich dit jaar vanuit de grote, kleurloze groep wist op te werken tot een regelmatige favoriet en vrijwel steeds in de prijzen terechtkomt.’ Dat seizoen zijn er ook ereplaatsen in Den Haag, Sneek, Brabant, Brummen en Borger. In ’s-Gravenzande gaat Holleeder als winnaar over de streep.
1951 komt stroef op gang. Donker herinnert zich uit dat jaar een kermiskoers in het Belgische Overspelt die hij zelf won. Holleeder rijdt de wedstrijd niet uit. ‘Toch had Willem het in Belgi. naar zijn zin omdat je daar mooie kleren kon kopen.’ In Tegelen wordt Holleeder vijfde in een koers over 120 kilometer, daarna tiende in de Beneluxwedstrijd. Het clubblad is positief: ‘Wim heeft een zeer aanvallende course gereden, beter dan wij hem in lange tijd hebben gezien.’ Dat geeft moed, Holleeder wint in juni de Ronde van Hilversum.

Ook 1952 verloopt niet denderend: onopvallende optredens in Tilburg, Rotterdam-Crooswijk en Soest, de Ronde van het IJsselmeer (‘nog wat vorm te kort,’ schrijft Wielersport) en de Ronde van de Staatsliedenbuurt (materiaalpech). Bizar is zijn val in de klassieker Amsterdam-Tiel-Amsterdam. Op de Amstelveenseweg slipt hij op een sinaasappelschil. Einde wedstrijd, er was nog geen 8 minuten gefietst. Op 12 juli komt hij niet opdagen bij een koers in Poeldijk en wordt prompt voor drie maanden geschorst. Twee weken later wordt hem die straf kwijtgescholden ‘na nader verkregen inlichtingen’.

In 1953 pakken Willem en zijn vriend Ap het serieuzer aan, ze besluiten prof te worden. Volgens Gerrit Holleeder had zijn broer al eerder beroepsrenner kunnen worden bij een Franse fabriek, maar wilde hij niet weg bij Hoppe. ‘Prof worden stelde in ons geval niet zoveel voor, hoor,’ zegt Donker. ‘Je tekende geen contract bij een ploeg, maar je kocht gewoon een proflicentie en dan maar kijken hoe het verderging.’ De twee mogen nu in grotere koersen starten waarin geldprijzen zijn te verdienen. Donker en Holleeder blijven daarnaast gewoon voor hun baas werken. Holleeders naam komt dat jaar in de uitslagen niet voor, maar daar is een eenvoudige verklaring voor. In Wielersport maakt de knwu officieel bekend: ‘De renner W. Holleeder, Amsterdam, lic. no. 96, werd door de Belgische Wielrijders Bond geschorst voor een tijdvak van zes maanden ingaande op 28 april 1953 en alzo eindigende op 27 oktober 1953. Deze schorsing werd opgelegd en door de knwu reglementair overgenomen, aangezien W. Holleeder zich in de tweede rit van de Ronde van Vlaanderen aan een auto heeft vastgeklampt.’
Einde seizoen.

Pas het volgend jaar komt hij weer in actie, maar de wedstrijdverslagen doen vermoeden dat hij in het profpeloton tekortkomt. Half april doet hij mee in Sint Willebrord, de eerste Nederlandse profkoers van het jaar. Holleeder verdwijnt al na 25 kilometer uit de wedstrijd die door Wout Wagtmans wordt gewonnen. Het is een slechte generale voor de Ronde van Nederland die op 26 april 1954 in Groningen van start gaat en een week later in het Olympisch Stadion eindigt. Het peloton bestaat uit 56 renners en Holleeder is uitgenodigd om deel uit te maken van Nederland E, een gelegenheidsformatie die uit louter Amsterdamse renners is samengesteld. Ap Donker is een van zijn ploegmaats en ‘Tarzan’ Hein van Breenen de kopman. Op hun shirts prijkt de naam Determeyer, een kledingfirma. Faanhof: ‘Die zat in die steeg van de Oudezijds Voorburgwal naar de Oudezijds Achterburgwal. Werkkleding en tropenkleding, die verkochten ze aan planters in Indonesi.. Van Breenen kwam uit die buurt vandaan, ik denk dat die ervoor gezorgd heeft dat Determeyer sponsorde.’ Zelf rijdt Faanhof voor Mars, een ploeg met de latere winnaar Wim van Est. Andere vedetten in de ronde zijn Gerrit Schulte, Gerrit Voorting, Wout Wagtmans en Noppie Koch.
De Ronde is inderdaad te zwaar voor Holleeder. In de eerste etappe naar Almelo eindigt hij als 48ste op een klein halfuur van de winnaar. De volgende dag rijdt het peloton naar Valkenswaard en is hij 44ste, weer op een klein halfuur. Holleeder haalt het einde van de Ronde niet, Ap Donker ook niet, maar die is op de voorlaatste dag nog lang in de aanval geweest. Het Olympia-orgaan geeft hem en Holleeder een schouderklopje: ‘Wim Holleeder zagen we beter voorheen, hij reed deze Tour min of meer met één been.’
Faanhof vindt het niet verrassend dat Holleeder afhaakte: ‘Hij was geen ronderenner, meer een eendagsrenner.’Volgens Donker was het ook een kwestie van instelling. ‘Willem reed die ronde niet voor het resultaat, hij probeerde er vooral een leuke tijd van temaken. Zat voortdurend te dollen.We lagen soms met z’n allen op slaapzalen en een keer had hij van buiten een bloempot meegenomen en die onder iemands matras gelegd.’ De Ronde van Nederland is de grootste wedstrijd waar Holleeder aan zal deelnemen. In 1955 levert hij zijn proflicentie in om bij de onafhankelijken te gaan rijden, een categorie tussen profs en amateurs in, die later is opgeheven. De nieuwe licentie is goedkoper en nu kan hij zowel bij amateurs als profs starten. Faanhof: ‘Ik denk dat Willem naar de onafhankelijken is teruggegaan omdat dat wat makkelijker was.’  Desondanks lijkt Holleeder er weinig zin meer in te hebben. In mei 1955 schrijft hij zich nog in voor het nationaal kampioenschap dat op het Caubergcircuit wordt gereden, maar in de uitslag ontbreekt zijn naam. Twee maanden later maakt de knwu bekend dat de licentie van Holleeder op eigen verzoek is ingetrokken. Niet ongebruikelijk volgens Faanhof: ‘Zo was het in die tijd. Er waren heel goede wielrenners, 18, 19, 20 jaar, die beter waren dan ik. Die kregen verkering en kwamen dan nog een jaar naar de koers met dat meissie en het volgende jaar stopten ze gewoon. Ik denk dat Willem toen getrouwd is met zijn Stien, dat was een heel goede korfbalster. Hij kreeg het natuurlijk ook te druk net zijn werk en had geen tijd meer om te trainen. Je moet dat niet als een nederlaag zien. Hij kon het gewoon niet meer opbrengen.’ Holleeder steekt nu al zijn tijd in Hoppe, dat destijds een fabriek en een café in de Jordaan had. In die jaren wordt het bedrijf overgenomen door Heineken en Holleeder komt terecht op de afdeling marketing van de bierbrouwer. Juist daardoor verdwijnt Willem Holleeder niet uit het wielermilieu. Met een wagen van Heineken volgt hij de koersen en tapt bij de finish gratis bier voor renners en genodigden. Faanhof, inmiddels ook gestopt, bezoekt als consul van de knwu veel wedstrijden en drinkt er ook wel eens een pilsje. ‘Ik zag Willem altijd staan met zijn stalletje, overal in het land. Hij stond achter de tap met zo’n schort voor. En Willem, die dronk zelf hard mee. Het was altijd lol natuurlijk, want hij zag zijn oude ploegmaats. Na afloop ging hij ook weer gewoon achter het stuur zitten.’

Holleeder tapt, zo vertelt Faanhof, in Amsterdam ook op Het Vat van Heineken, een bootje in de vorm van een groot biervat dat in de grachten vaart. Ook zit hij soms op een grote rijdende Heineken-bierton die door twee paarden door de stad wordt getrokken. Holleeder is zelfs een tijdje privéchauffeur van zijn baas Freddy Heineken. Ap Donker ziet hem nóg voor zich in een zwart pak met bijbehorende pet. Holleeder gaat voor zijn werkgever door het vuur alsof hij lid van de familie is. Omgekeerd is Freddy Heineken ook erg op hem en zijn kleine Willem Holleeder gesteld. ‘Heineken was gek op Wimpie,’ vertelt Ap Donker. De grote baas bezoekt de familie wel eens in de Jordaan. Holleeder werkt keihard, Heineken is alles voor hem. Donker herinnert zich een incident bij een van Willems broers thuis. ‘Op een verjaardagsfeestje was geen Heineken geschonken maar Amstel Bier. Voor Willem was dat gewoon verraad. Toen heeft-ie scheldend het pand met slaande deuren verlaten.’ Aan de vooravond van de Amstel Gold Race rijdt hij met een Heineken-wagen reclame van de toenmalige concurrent stuk. Na soortgelijke vergrijpen moet Freddy Heineken hem persoonlijk twee keer uit een politiecel halen.

Holleeder voedt de jonge Willem streng op, want hij wil van hem een wielrenner maken. Zijn jongen – die weet dat nog heel goed – moet dus gezond eten. ‘Mijn vriendjes kregen wit brood met lekker beleg mee naar school, van die schuin doorgesneden boterhammen. Ik niet, van mijn vader kreeg ik bruin brood met bloedworst. Wat ik at, wat ik deed, alles voor de wielersport.’ De familie Holleeder heeft geen auto en Willem junior moet tot zijn ergernis overal op de fiets naartoe, weer of geen weer. Ook ziet zijn vader er streng op toe dat hij nooit rookt. ‘Hij heeft me een keer letterlijk aan mijn oren uit een zaak in de Anjelierstraat getrokken, ik was een jaar of twaalf. Ik stond daar te flipperen met een sigaret in mijn mond.’

De laatste jaren van Holleeders leven verlopen grotendeels buiten het gezichtsveld van Donker en Faanhof. Donker heeft het druk met zijn eigen carrière die nog tot 1967 zal duren. Wel klust hij als loodgieter nog een enkele keer in huize Holleeder in de Egelantiersdwarsstraat. Willem junior weet dat nog. ‘Dat was die Donker, die graag duif at.’ Dat kan kloppen: wielrenners waren er destijds van overtuigd dat duivenvlees de prestaties bevorderde. Ook Faanhof verliest Holleeder uit het oog. ‘Toen lette je niet meer op de jongens, want je had het zelf druk met je werk, ik had een staalconstructiebedrijf. Maar als ik wel eens boutjes enmoertjes ging halen bij de ijzerhandel, kwam ik langs Hoppe en dan riep-ie: Kom effetjes een borreltje drinken. Nee, vandaag niet, Willem, zei ik dan en liep verder.’

1968 is een belangrijk jaar voor de firma Heineken. Het bedrijf fuseert met Amstel Bier en groeit steeds verder. Frisdrankenfabrikant Vrumona wordt ingelijfd als dochteronderneming. Kennelijk past iemand als Holleeder niet meer in de toekomstplannen en zit het bedrijf met hem in de maag. ‘Zal de drank wel geweest zijn,’ vermoedt Faanhof. Hij krijgt nog een baantje bij de plantsoenendienst van Vrumona in Arnhem, vertelt Gerrit Holleeder. ‘Het was voor hem een straf om daar steeds in de auto heen te moeten.’ Holleeder beklaagt zich over zijn lot, wanneer hij Donker een keer op zijn werk opzoekt. Hij houdt het niet lang vol en wordt daarna tot zijn verbijstering op non-actief gesteld. Niet ontslagen, benadrukt broer Gerrit, zijn salaris wordt doorbetaald.

Holleeder gaat steeds meer drinken. Volgens Donker voelt hij zich door Heineken in de steek gelaten en draait hij door. Zijn vrouw gaat na meer dan 25 jaar huwelijk bij hem weg. Faanhof herinnert zich dat Holleeder op een gegeven moment een nieuwe vriendin krijgt die ook aan de drank is. Zij houdt hem een beetje op de been, maar het gaat met Holleeder van kwaad tot erger. Hij verloedert, loopt de hele dag door de stad in verwaarloosde kleding en vertoont zonderling gedrag. Faanhof ziet hem een keer de hele Egelantiersdwarsstraat schoonvegen.

In 1983 blijkt zijn zoon achter de ontvoering van Freddy Heineken te zitten. Die wordt samen met zijn chauffeur drie weken gevangengehouden in een loods in het westelijk havengebied van Amsterdam. De ontvoeringszaak komt, zo vertelt Gerrit Holleeder, bij zijn broer hard aan. Willem Holleeder overlijdt in 1990 op betrekkelijk jonge leeftijd, hij wordt 63. Volgens zijn broer had hij iets aan zijn lever. ‘Hij werd soms helemaal geel.’ Ooit had Willem Holleeder sr. langs de weg willen staan om zijn zoon Willem jr. te zien koersen. Het is anders gelopen.


“Wim Holleeder is Amateur.
Is ruim zesmaal acht uur chauffeur.
Toch zag hij kans steeds goed te rijden
Neen erger, zich te onderscheiden
Ronde van Brabant was zo iets.
Wim vindt zijn weg ook op de fiets.”


Tekst: Ruurd Edens

Leave a Reply