Kastanjegeuren, nevelslierten en een laatste adieu

Auteur: Mart Smeets 

Grappig maar waar: altijd als ik de Ronde van Lombardije intik op mijn computer, komt de spellingcorrector in dat ding in opstand: rode streep.

   Alsof die koers niet bestaat.

   Oh, hoe graag ging ik in het verleden naar de Giro di Lombardia. Het was niet alleen de wedstrijd van de vallende bladeren, maar ook die van de geur van gepofte kastanjes, de aanschaf van Italiaanse modedingetjes, het rondlopen in het herfstige Como waar het op vrijdagavond heerlijk druk werd in de oude binnenstad, waar mannen nog gearmd liepen en je van kroeg naar café wandelde en er types uit de koers tegenkwam die hetzelfde deden als jij.

   Het was, voor ons volgers, het officiële afscheid van het wielerseizoen. Natuurlijk, de Fransen vonden dat het afscheid plaatsvond in Tours, maar wij, flanerend in Como, wisten natuurlijk beter. We sliepen er in de Villa Fiori. Dat betekende oude meuk, maar wel in stijl. Met een turn-down service tot diep in de jaren nul. Met diensters die witte schortjes voorhadden en met altijd de Gazzetta bij de hand.

   Wielerploegen kwamen daar niet: daar was het hotel net te nuffig voor en ook te prijzig, neem ik aan. Er stond altijd wel een blitse Ferrari op de parkeerplaats of een simpele Rolls, vaak in het zwart.

   Maarten Ducrot, Gerrit Solleveld en ik gingen op vrijdagavond altijd eten in een Italiaanse tent met sfeer en klasse. De obers wisten dat we van de koers waren en supporterden, omdat we ‘Tulipani’ (Hollanders) waren, ook voor Boogerd of Dekker.

   Bij ieder gerecht kregen we een andere vertelling uit het rijke, roomse wielerleven van daar: natuurlijk over Coppi, maar ook Gimondi, die hier aanbeden werd als een vorst.

   De chef wijn van dat etablissement had het niet op Saronni en noemde hem een rat. Waarom? Hij profiteerde altijd van Moser, luidde het antwoord en de man maakte een beschaafd gebaar met de vlakke hand langs de keel.

   Voor de start, op zaterdagochtend vroeg, als de nevelslierten nog boven het kille land hingen en de eerste supporters zich kwamen melden, was het tekenen een adieu van renner tot renner. Ze stapten nu voor het laatst op, misschien dat er nog een paar naar het Antillen-feestje van Leo van Vliet trokken, maar voor het grote peloton was het basta. Gedaan.

   Ik maakte dan een rondje langs de renners die op het gemak stonden en gedag zeiden: ja, het ging goed, nog maar dik tweehonderd kilometer, het was niets op een mensenleven.

   De meesten stapten ook zonder goesting op en in de eerste kilometers werden er al veertig renners gelost; dat hoorde bij deze koers. Lombardije rij je immer in de finale met twintig onverschrokkenen en diegenen die nog iets over hebben, in alle betekenissen van het woord, kleuren deze koers. De rest is niet eens bladvulling.

   Als de renners dan richting Zwitserland vertrokken, bleven de volgers achter in de dampen van de kastanjeverkopers. We dronken eerst koffie en later volgde de rijke lunch in een restaurant bij het binnengaan van de stad: ook hier wist het personeel dat er allemaal wielervolgers zaten en pasten het de gesprekken aan: over Di Luca die loog en bedroog en over een nieuwe gast die Nibali heette en die helemaal uit het zuiden kwam. En over Magni l’uomo terzo, een held hier.

   Dan deed ik nog een shopje, sloeg Italiaanse deegwaren, gedroogde tomaten en olijfolie in, en zocht de finish op waar we van een wankel podium, in de heel diffuse middagzon, naar de finale keken.

   Over de koers was niet veel bekend en daar maakten de Italianen zich niet zo druk over. Vaak was de finale ook maar van korte duur: een uurtje of zo.

   ’s Avonds haalden we nog net de avondvlucht naar Amsterdam. De winter kon beginnen.


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp, John Kroon en Mart Smeets.


Leave a Reply