Een zondag in de hel


• Boekrecensie van Sunday in Hell •


De wielerwereld zit vol wetmatigheden. Parijs is nog ver, Carrefour de l’Arbre is lijden en na de Hoogmis komt de Hel. Twee andere vaststaande feiten zijn dat het beste wielerboek De Renner van Tim Krabbé is en dat de beste wielerfilm A Sunday In Hell van Jørgen Leth is.

Vanaf de beginscènes waarin een mecanicien een Benotto met een kwastje schoonmaakt, Roger de Vlaeminck zijn scheerapparaat op zijn benen zet en Eddy Merckx zorgelijk naar een fiets kijkt tot het einde waarin Merckx een werkende douche zoekt en Roger de Vlaeminck zich uitkleedt temidden van een groep verslaggevers.

Parijs – Roubaix is in 1976 uitgebreid gefilmd en vastgelegd door de Deen Jørgen Leth, dan al een vermaarde filmer op dat moment twee wielerfilms heeft gemaakt: Stars and Watercarriers, over de Giro van 1973 en de experimentele kortfilm Eddy Merckx i nærheden af en kop kaffe (Eddy Merckx in de buurt van een kop koffie) waarin Leth zijn poëzie voorleest versneden met beelden van de Tour van 1970.

A Sunday in Hell wordt echter zijn meest ambitieuze project. Niet eerder is een eendagskoers van start tot finish vastgelegd met als doel er een lange film van te maken. En al helemaal niet zo’n gegarandeerd chaotische koers als Parijs – Roubaix in 1976 voorbestemd om een strijd te worden tussen heroïsche namen als Maertens, Godefroot, Merckx, Kuiper, Poulidor en Moser. Zelfs de 21-jarige Hinault is nog in een flits te zien, maar die rijdt de wedstrijd niet uit.   

Het is aan William Fotheringham te danken dat dat ene beeld van Hinault nu plots opvalt. De fameuze Britse wielerschrijver heeft zich vastgebeten in de film van Leth. Hij heeft met alle betrokkenen gesproken en de totstandkoming van de film prachtig gereconstrueerd in Sunday In Hell. Behind The Lens Of The Greatest Cycling Film Of All Time. In de kantlijn is de tijdsaanduiding te vinden van de scenes die hij beschrijft. Maar zijn boek is veel meer dan een leesgids bij een film. Het is een biografie van Parijs – Roubaix, een beschrijving van Leth als filmmaker en een schets van het peloton in 1976. 

Het gaat over de onderhandelingen tussen de nog wat naïeve Deen Leth en de gewiekste geldbeluste Félix Lévitan. Maar ook over de miljoen Deense kronen (134.000 euro) die Leth weet los te praten bij het Deense Film Instituut om de wedstrijd met 27 camera’s te volgen. De Deen is overal bij, van de massages de dag vooraf tot aan het douchen nadien. Het probleem is dat er met de technische mogelijkheden van die tijd tijdens de wedstrijd niks te regisseren valt voor Leth. Hij moet alles tot in de puntjes voorbereiden en hopen dat de cameramensen met de goede beelden terugkomen.

Dat doen ze niet. Er zijn er die geheel hun eigen gang gaan. Anderen krijgen de opdracht vanaf een vast punt de camera te laten lopen en niet te bewegen, maar ongeduldig gaan ze na het passeren van de kopgroep toch andere dingen filmen. Door de chaos in de race kunnen de cameramensen in de wedstrijd de finale zelfs niet filmen. Leth heeft uiteindelijk dertig uur film maar moet kunst en vliegwerk in de montage uithalen om tot een goede film van een uur en drie kwartier uit te komen. En toch wordt door zijn goede voorbereiding, slimme keuzes (hij heeft ook een cameraman in de bezemwagen, in de volgwagen en in een Noord-Frans café waar de pastis er al vroeg in gaat) en sterke team A Sunday In Hell een film die nu al veertig jaar alom wordt bejubeld.

Door te kiezen voor de film heeft Fotheringham een geweldige kapstok om de geschiedenis van deze race en de geschiedenis van het wielrennen te beschrijven. Los van Eddy Merckx spreekt hij alle hoofdpersonen van de film. Hij weet er zelfs de geschiedenis van Noord-Frankrijk in te verweven, waar eerst geen geld is om de haast onbegaanbare kasseiwegen op te knappen en pas in de jaren zeventig het besef komt dat ze met die ellendige wegen dankzij het wielrennen eindelijk een trekpleister in de streek hebben. Met een mooie lofzang op Albert Bouvet die de race in 1976 in zijn bruinleren sportjasje in goede banen leidt en bergen heeft verzet voor het behoud van de kasseien. Filmliefhebbers kunnen hun hart ophalen met de verhalen over de filmtechniek van die tijd, het Deense filminstituut en de carrière van Leth inclusief zijn invloed op pupil Lars von Trier. Wielerliefhebbers komen ook nieuwe dingen te weten. Niet alleen over Parijs – Roubaix, ook over Hennie Kuiper, Freddy Maertens en de winnaar in ’76: Marc Demeyer.

Fotheringham zit in dit boek met zijn neus op de kasseien. Hij schetst de streek, de race, de rijders van toen en die geweldige film. Na het lezen van het boek wil je de film op herhaling zetten. Het gaat je zelfs niet lukken om het boek te lezen zonder stukken uit de film op te zoeken op YouTube. De val van Maertens, de krachtsexplosies van Moser en De Vlaeminck, de mecaniciens op het dak en het dansende horloge van Godefroot, je kijkt het allemaal terug als je erover leest. Het blijft pagina na pagina een plezier om te lezen. Bij Parijs – Roubaix komen de beste renners bovendrijven en dat is in 1976 prachtig vastgelegd door een groot cineast wat in 2018 weer tot een begeesterd boek leidt. De zondagse hel brengt het beste in mensen naar boven.

Geschreven door: Alex van der Hulst



Leave a Reply