DE ZOMER VAN ’68

~ Vintage ~

THE DAYS AFTER

Auteur: Peter Ouwerkerk

Vijftig jaar geleden won Jan Janssen als eerste Nederlander de Tour de France. In dit weblog worden deze julimaand de artikelen herhaald die tien jaar geleden in De Muur herinnerden aan die zo opwindende zomer. Dit is het twaalfde en laatste deel: hoe Jan Janssen in een vliegtuig vol kuikens belandde.


Wielrenners hebben fotografische geheugens. Jan Janssen is daarop geen uitzondering. Hij zegt elke meter van de finaletijdrit op 21 juli 1968 te kunnen terughalen. Zijn Cora – bijna 45 jaar naast Jan – is de fijnschilder, die gaat voor de details. En wat zelfs zij niet meer op het netvlies kan reproduceren, vindt ze terug in haar plakboeken. Ook de finesses van de eerste uren en dagen nadat Jan Janssen Nederland zijn eerste Tourwinnaar heeft bezorgd en van hot naar her rijdt, vliegt en fietst.

De Janssens schuiven aan aan de serretafel in Belgisch Putte.

‘Weet je dat ik in tien minuten een vliegtuig heb moeten huren om op tijd bij de huldiging in Amsterdam te zijn? En dat ik toen in m’n eentje tussen driehonderdduizend kuikens heb gezeten?’

Janssen begint meteen aan het verhaal van de donderdag na Parijs. Er klinkt nog steeds die prettig licht-Haagse tongval, die af en toe zomaar verwant lijkt aan het Frans. Ûhs en èhs en rollende erren. Wat wil je als je als 21-jarige jongeling een vak gaat leren in Frankrijk tussen de Fransen?

Jan Janssen bladert terug naar de dagen der dagen. De aprèsTour van 1968.

 

Zondag 21 juli 1968

Het is twee minuten voor vijf. De gele trui komt de piste van het Bois de Vincennes, zeg maar La Cipale, opgereden. Herman Van Springel is de laatste renner die in de 55ste Tour over de finish zal glijden.

Op de eretribune zit Cora Janssen met dochter Karin (3) naast Madame Lejeune van Janssens fietsensponsor, die in het gezelschap is van een dochter en een schoonzuster. Ze zitten één rij stoeltjes voor de entourage van Herman Van Springel. De Belgen zijn euforisch. Cora denkt: ‘Wacht nou maar af.’ Eén blik op Van Springel en ze weet het: ‘Die rijdt niet, die rijdt niet, daar zit totaal geen vaart in!’

Cora Janssen heeft de hele middag de tussentijden zitten noteren, als bij het schaatsen. Ze heeft er een hoogst opwekkend gevoel aan overgehouden. Het kan, het kan, het kan. Jan heeft het de hele week al gezegd: hij kan nog altijd de Tour gaan winnen.

Cora ziet Van Springel als een slak de cementen piste over kruipen en krijgt een kouwe rilling en een warmtestoot tegelijk over zich heen. Ze ziet Jan Leijendekker, de regisseur van de NTS-tv, de tribune opklimmen en naar haar toekomen. ‘Cora, Jan heeft de Tour gewonnen! Je moet mee naar beneden, Cora!’

‘Wacht eerst nou maar af, Jan.’

Ze wil nog niet geloven wat werkelijkheid aan het worden is.

Jan Janssen is na een voorzichtig begin in de laatste 15 kilometer steeds verder uitgelopen op Van Springel. Het zwaard hangt boven het zadel van de Belg uit Grobbendonk. Van Springel wordt geslacht. In alle opwinding gooit Cora het papiertje met de tussentijden in de lucht. ‘Van de zenuwen. Ik heb het nooit meer teruggevonden.’

Op het middenterrein wacht Jan Janssen – na het ochtendritje nog derde in het algemeen klassement, achter Van Springel en de Spanjaard Gregorio San Miguel. Tv-commentator Fred Racké schrijft een paar uur later zijn verhaal voor de Haagsche Courant: ‘Jan Janssen zat aan de rand van de oude wielerbaan, die nieuw was in de historie van de Ronde van Frankrijk. Uitgeput staarde hij naar het cement. Janssen zal helemaal alleen, in een eilandje van stilte.

Mag ik, zei hij met trillende stem, mag ik even niets zeggen? Laat me…  éven maar.

De minuten die volgden zullen de renner, die tot het uiterste is gegaan, bijblijven voor altijd. De minuten waarop gewacht werd op de komst van Herman Van Springel.

Op de Cipale rukt de roes van geluk de Hollandse hoek binnen. Ze zijn met zeshonderd en met twee spandoeken; een uit Heerlen en een uit Gouda.

In Ossendrecht hebben de supporters zich verzameld in ’t Puts Meuleke. Zij kijken televisie; de eerste live aankomst van een Tour de France ooit op het Nederlandse scherm.

Van Springel krijgt zijn benen niet meer rond, lijkt aan het cement te kleven. Hij is 54 seconden trager dan Janssen over de afsluitende 55,2 kilometer. ‘Winnaar tijdrit, winnaar Tour de France 1968,’ roept de speaker van dienst, ‘Zjan Zjans-sèn!’ Het kleinste verschil in een Tour tot dan: 38 seconden.

Hollanders worden gek, Janssen keert terug uit de verpletterende stilte, slaat zijn handen voor zijn zonnebril, ziet dat Cora (handtasje) en Karin (bosje gele rozen) het middenterrein betreden, voelt zich omhoog gehesen op de schouders van totaal onbekende mannen, begint te huilen, krijgt de radiomicrofoon van Jan Wauters onder zijn neus, gaat iets zeggen tegen zijn vrouw en dochter…

En alle Nederlandse tv-kijkers horen de omroepster zeggen: ‘Tot zover de rechtstreekse reportage van de Tour de France in Frankrijk. Er wordt nu overgeschakeld naar Noordwijkerhout voor de vakantiekerkdienst.’ Gepland is gepland. Onze Lieve Heer heeft gereserveerd. Wie Hem kent, weet dat Hij het toch al niet zo opheeft met fietsen op zondag, laat staan om het hardst.

Het zal drie kwartier hebben geduurd eer de tv-kijker terug is in Parijs. Om van Jan Janssen dan pas de woorden met emotionele eeuwigheidswaarde te horen: ‘Karin kindje, papa heb de Tour gewonnen!’

Mannen mogen niet huilen, echte mannen wel. Jan Janssen krijgt het geel van Adriano Rodoni, de meestal middagslapende baas van de Internationale Wielrenunie UCI. Wat Janssen zichzelf de hele week heeft voorgehouden, is waarheid geworden; de sterren stonden gunstig: álles op de tijdrit. Mecanicien Jo Hulshoff monteerde nieuwe bandjes, een nieuw stuurlint, en trappen maar op die ruim negen kilo. De aanmoedigingen van Geldermans vanuit de auto raakten precies de juiste snaar.

‘Waar is Jan!?’ wordt van alle kanten aan Cora  gevraagd. Die zegt dat ze het niet weet. ‘Ik heb hem een kus gegeven en toen was hij weg.’

Ze heeft hem nog wel een ererondje zien maken, gezeten op een Opel Kadett. De voiture is aangeboden door Phoenix-Palladium, een fabrikant van sportvloeren. Het is een prijs voor de vrouw van de winnaar van de Tour. Een extraatje waar later nog herrie over zal ontstaan. Janssen heeft de totale prijzenpot van 42.000 gulden gegund aan zijn drie mede-uitrijders Eddy Beugels, Arie den Hartog en Evert Dolman. Hij heeft gezegd dat hij daar ook de winnaarspremie à 15.000 gulden bij zal stoppen. Maar de auto blijft voor l’épouse du vainqueur. Arie den Hartog maakt daar vele jaren later nóg spatsies over.

Waar Jan is? De Tourwinnaar zit ergens in de schamele catacomben van het velodroom in een onooglijk kamertje de sensatie te overdenken. Twee mannen zijn bij hem: Ab Geldermans en zijn Franse ploegleider Maurice De Muer, die dezelfde avond hoort dat Pelforth moet stoppen als sponsor (alcoholreclame & sport is voortaan taboe in Frankrijk), doch die zich realiseert dat het met een Tourwinnaar in de stal niet moeilijk zal zijn nieuw geld te vinden.

Op de Belgische tv moet commentator Fred De Bruyne heel diep slikken. ‘Beste kijkers, dit is een harde balans voor onze Belgische sportvrienden. Omdat het erop geleken heeft dat ons de overwinning niet meer kon ontsnappen.’ En: ‘Onze hoop is nu verwezen naar het plasje na de tijdrit.’ En: ‘Maar deze onsportieve hoop zullen we niet koesteren.’

Er zijn in 1968 voor het eerst dopingcontroles in de Tour, op voorspraak van oud-Tourarts Pierre Dumas die in 1955 al op het gevaar van dopinggebruik wees, nadat hij op de Ventoux het hart van Jean Malléjac net op tijd weer aan de praat had gekregen. Maar die pas in 1967 op zijn woord werd geloofd toen Tom Simpson op de flanken van dezelfde berg het leven liet.

161 plasjes zijn er tot zondagmiddag vijf uur ingeleverd. Twee daarvan blijken positief: de Waal José Samyn is betrapt op corydrine en Jean Stablinski op amfetamine; ze moeten de Tour uit en worden een maand geschorst. Jan Janssen en Herman Van Springel leveren de urinemonsters 162 en 163. Van Springel zegt: ‘Toen ik aan de beurt was, interesseerde niemand zich voor mijn plas. Toen wist ik dat ik nooit meer kon winnen.’

Als De Bruyne teruggeeft naar de studio in Brussel, verontschuldigt de omroepster zich voor de woordkeuze van de populaire Fredje, die volledig stuk is komen zitten toen hij de kansen van Van Springel per pedaalomwenteling zag slinken.

Nederland wordt langzaam gek. In Nootdorp maakt de slijter overuren, draperen nijvere dames een handgenaaide gigantische gele trui over een kruispunt, rukt de fanfare Gloria in excelsis Deo uit, wordt het rijtjeshuis van Janssens ouders aan de Beatrixstraat platgelopen.

Op het partijsecretariaat van de Christelijk-Historische Unie (de politieke partij van de hervormden) valt de secretaris van zijn geloof. Hij stuurt Janssen een gelukstelegram: ‘Wens U namens de CHU geluk met uw overwinning. Uw inzet was indrukwekkend. Moge Uw overwinning in deze schone Tour alle Nederlandse wielrenners inspireren.’ Het zijn woorden die de steller, dr. H.A. Schuring, nog lang zullen worden nagedragen.

In zijn huis in het Liesbos aan de rand van Breda heeft de vermaarde ploegleider Kees Pellenaars de telefoon ernaast gelegd.

Pellenaars heeft voor de Tour in een radio-interview geschamperd: ‘Als Jan Janssen de Tour kan winnen, dan kan mijn schoonmoeder het ook.’

Tientallen Janssen-fans willen de Pel nog eens fijntjes aan die uitspraak herinneren. ‘De Pel’ geeft niet thuis. ‘Zeker zijn schoonmoeder trainen!’ In een van de vele telegrammen staat: ‘Al stuur je tien schoonmoeders naar de Tour, Jan Janssen draai je nooit een loer.’

Op een kilometer van La Cipale verzamelen zich rond een uur of acht de feestgangers. La Porte Jaune heet zeer toepasselijk het restaurant met een beneden- en bovenverdieping. Boven zit de kleine Nederlandse kolonie: Janssen, zijn drie mede-uitrijders, het personeel van de ploeg en enkele bonzen van de KNWU. Beneden dineren Fransen, met onder anderen vijfvoudig Tourwinnaar Jacques Anquetil.

Janssen moet zich in tweeën delen; hij moet overal toosten en proosten. Een halfuurtje hier, een halfuurtje daar. ‘Dat kon je wel aan me zien ook. Ik heb nog een dvd’tje liggen, dat ik ga speechen. Lachen! Ik heb een stuk in mijn neus, niet mooi meer.’

Kleine Karin wordt in een reiswieg gelegd, in de garderobe. Daar is het lekker rustig. Totdat rond middernacht de laatste flessen zijn geleegd en iedereen zijn jas gaat ophalen. Cora: ‘Karin werd wakker, keek me aan en zei: Waar gaan we nu weer naartoe?’

Dat is voor de Janssens het hoofdkantoor van de firma Lejeune in Parijs, Boulevard de Charonne. ‘Keurig verzorgd. We hadden een mooie eigen kamer. Het waren fijne mensen.’

Zijn gele trui zit in de koffer bij Ab Geldermans, die hem meeneemt naar Beverwijk als troost voor zijn vouw Ilse, die in het Rode Kruisziekenhuis ligt bij te komen van een auto-ongeluk. Daarna mag hij hem in de etalage van zijn sportzaak hangen.

 

Maandag 22 juli

De Tour van 1968 is gestart in Vittel en het stadje in de Vogezen heeft bedongen dat de Tourvedetten er ook het eerste criterium na de Tour komen rijden. Dus tuft de elitegroep terug naar Vittel voor een avondmeeting. Jan Janssen rijdt zelf zijn Mercedes. ‘Als een speer.’ Cora en Karin gaan met hem mee.

Janssen draagt een nieuwe gele trui met reclameopdruk. Hij moet alle zeilen bijzetten. ‘Een knap lastig rondje.’ Toch wint hij. Met moeite? ‘Mjah. Je hoeft niet altijd de beste te zijn. Maar het is voor de organisator altijd leuk wanneer een Tourwinnaar terugkomt op de plaats van de start en hij wint. Toch?’

Het is reuze gezellig in Vittel. ‘Weet je nog Cora, na afloop in die tuin? Met een man of dertig, veertig lekker zitten eten en drinken. Iedereen was er: Anquetil, Poulidor, Aimar, Bitossi. En dat die Italiaan ineens begon te zingen? Hoe heet ie ook weer? Zandegu. Dino Zandegu. Fantastisch, wát een stem!’

Cora: ‘Heel gezellig. Alle renners samen. Dat was toen zo.’

In Nederland krijgt de CHU-secretaris de wind van voren. Het zondagstelegram van dr. Schuring moet het ontgelden bij de hardliners in zijn partij. Hoe durft hij! ‘Deze sport respecteert de zondagrust niet.’ En: ‘Het wielrennen behoort tot de minder sympathieke sporten.’ Zelfs koningin Juliana heeft pas op maandag getelegrafeerd, evenals minister Marga Klompé: ‘Van harte gefeliciteerd met uw schitterende zege.’ De CHU-jongeren vinden het minder erg. Schuring belooft zijn impulsieve ingeving nog eens te uitleggen in het Unieorgaan.

De Volkskrant vat de impact van de eindoverwinning kernachtig samen. ‘Buiten de nieuwe haring is er weinig dat Hollandser klinkt dan de naam Jan Janssen. Maar al heeft hij tienduizenden naamgenoten, er is maar één echte Jan Janssen.’

In de kranten verschijnen de eerste cartoons waarop de schoonmoeder van Pellenaars wordt gekoppeld aan Jan Janssen. Janssen op de fiets, schoonmama achterop. De leeftijd van de oude dame varieert van 81 tot 85. Journalisten gaan op zoek naar deze Antonia Allegonda de Wit-van de Kieboom en vinden haar in Raamsdonkveer. Ze zegt dat ook zij het niet droog kon houden toen zij Jan zijn vrouw en zijn dochtertje zag omhelzen. Ze zou Janssen graag eens ontmoeten.

Boze tongen beweren dat Pel haar heeft ingefluisterd dat ze ‘portretrecht’ voor die cartoons moet vragen. Honderd gulden, minimaal. Het ligt in de lijn van de ervaring die de platenproducer van CNR met Pellenaars heeft gehad: Pellenaars verbiedt de platenmaatschappij zijn gewraakte schoonmoeder-uitspraak op te nemen op het ep’tje dat zij van plan is uit te brengen.

Vanuit Parijs komt de legalisatie van Janssens Tourzege. Dopingarts Dumas verklaart dat Janssen zeven keer op controle is geweest en dat het resultaat alle zeven keren negatief is.

Het is de laatste troef die Pellenaars uit handen wordt geslagen. Pellenaars die voor de Tour ook heeft gezegd dat de persoonlijke soigneur van Janssen, de al eerder omstreden Spanjaard José Vidal, ‘toevallig de grootste droger alles tijden is; hij is de eerste verzorger die met hormonen werkt’.

Janssens repliek toen: ‘Vidal omstreden? Hij is gewoon de beste. Ik ken hem toch.’ En Vidal: ‘Janssen is de grootste coureur als er geen doping gebruikt kan worden.’

 

Dinsdag 23 juli

Cora Janssen wil nu wel naar huis. Ze heeft Karin bij zich en is bovendien in verwachting van een tweede kindje. ‘Ik had maar voor één dag kleren bij me.’ De Tourwinnaar draait het stuur richting West-Brabant. Lucien Aimar volgt; die zal woensdag ook in de Acht van Chaam rijden. Janssen brengt Aimar onder in Hotel De Draak in Bergen op Zoom, wandelt over de Nieuwe Markt en ziet opeens een man op hem afstormen. Zijn opticien. Met een cadeautje.

Cora: ‘Die man was doodzenuwachtig. Hij deed alsof hij Onze Lieve Heer tegenkwam. Ik zie nog dat doosje voor me, van Herbers en Jennekens. Een nieuwe bril cadeau.’

Jan: ‘En een zwaar gegraveerde tafelaansteker.’

De brillen van Jan Janssen – dat is ook een verhaal. Le Parisien Libéré schrijft dat de bijziende Janssen met zeven verschillende brillen naar de Tour is gekomen. Later wordt dat genuanceerd: dat hij zeven verschillende brillen heeft. Een voor de fiets, een voor het lezen, voor zijn duiven, voor de jacht, voor het schaatsenrijden…

José Vidal bewaart ze voor zijn poulain in een speciaal koffertje op zijn kamer. Maar dat koffertje wordt in Aurillac (maandag 15 juli, nog een week te gaan) gestolen. De opticien maakt in allerijl een nieuwe reservebril klaar, die Cora naar Auxerre gaat brengen (zaterdag 20 juli). Maar ook die verdwijnt weer spoorloos. Sabotage, zo beweren kwade tongen. Janssen is niet uit zijn evenwicht te brengen. Hij zegt alleen: ‘Iemand moet geweten hebben dat ik zonder bril verloren zou zijn.’

Cora heeft inmiddels naar hun huis in Ossendrecht gebeld, aan het Putse Molentje. De huisbewaarster waarschuwt: ‘Blijf maar weg. Jullie kunnen je huis niet meer in.’ Overal staan bloemen; tien, dertig, wel vijftig boeketten! Veilingkisten vol met post, brieven en telegrammen. Jan: ‘Pas veel later heb ik dat allemaal kunnen bekijken.’ Cora heeft de mooiste ingeplakt.

 

Woensdag 24 juli

Het is de dag van de Acht van Chaam. Showcase in Holland. Zijn eerste nationale optreden in de gele trui. Het valt voor Janssen nog niet mee er te geraken. Sommige kranten melden dat Janssen rechtstreeks uit Reims is komen rijden; dat daar dinsdag een wedstrijd was, die wegens een hoosbui moest worden afgelast, maar dat hij door de reis toch enigszins verlaat is.

Indianenverhalen.

Zoals ook het verhaal dat hij pas donderdag zijn maillot jaune aan zijn supporters zal tonen, bij de officiële huldiging van de Tourploeg in het Olympisch Stadion.

Cora: ‘Hij was gewoon vergeten Chaam te noemen in een radio-uitzending.’ Chaam in paniek, hoewel er een op 13 juni getekend contract klaarligt. Alleen: zonder bedrag. Janssen belt nog maar even naar de comitévoorzitter, oud-burgemeester Janus Schram. Oh, dat geld? Die 5000 wordt onmiddellijk verdubbeld. ‘Geen enkel probleem, Jan. Er staan hier 140 duizend mensen!’

Chaam is een betaald criterium waar grof geld wordt verdiend aan entreekaartjes, programmaboekjes en bier. De biertaps worden rechtstreeks aangesloten op de brouwerij, de programmaboekjes zijn om twaalf uur uitverkocht en wat de toegangskaartjes betreft: stapelen maar.

Cora: ‘Maar eerst moesten we nog langs de Pel.’

De schimpscheuten in de kranten houden aan, Pellenaars dreigt zijn laatste goodwill te verspelen.

Jan: ‘Hij verzint een list. De chaperon van de Pel was Rinus de Deugd, van De Telegraaf. En Rinus had wat geregeld met de Pel. Hij zei dat de Pel het weer goed wilde maken. Als ik nou eerst eens even langskwam in het Liesbos voordat ik naar Chaam ging. Ik, door de telefoon: Dat-ie kapot valt!’

Cora: ‘Hij had het eerst mij gevraagd.’

Jan: ‘Zo link was hij wel. Ik vond Rinus een aardige vent, maar ik zei: Nee Rinus, ik doe het niet. Hij: Ja, maar er staat een leuk bedrag tegenover; doe het dan voor mij.’ Dus: Janssen en Pellenaars shaking hands. Exclusief. Op de foto. De volgende morgen in De Telegraaf. Betaalde foto. Jan: ‘Ja natuurlijk. Ja natuurlijk.’

Enfin, de Janssens naar ‘Hier is ‘t’, waar de oesters op ijs staan en de champagne klaar. Pellenaars mauwen dat hij het zo kwaad niet bedoeld heeft, dat hij Janssen alleen maar een beetje heeft willen opnaaien en dat dat goed is uitgepakt, want nu staat hij hier als Tourwinnaar. Janssen heeft dankzij de sigarenpsychologie van Pellenaars de Tour gewonnen. Zoiets.

Jan: ‘Ja hoor Pel, ’t is wel goed.’

Janssen steekt de witte envelop in zijn binnenzak en zet met vrouw en dochter koers naar Chaam. Maar alle wegen staan vol auto’s. De politie zegt dat ze hem wel komen halen. ‘Ga maar bij de benzinepomp in Bavel staan, dan krijg je een escorte.’

Jan: ‘Ik ben geloof ik dwars door de maïsvelden gereden. De politie had gelijk. Er was anderhalve meter ruimte, mijn auto was een meter tachtig breed.’ Cora: ‘En iedereen aan het bier. Het was angstig gewoon.’

De Acht van Chaam bestaat zeventig jaar, het comité heeft grandioos uitgepakt. Ze zullen Jan Janssen wel eens laten zien hoe trots Nederland is op zijn eerste Tourwinnaar. Op een grote praalwagen is een tribune gebouwd en vanaf de achterste rij wuiven Jan, Cora en Karin tussen Ab Geldermans en oud-Chaamwinnaar Gerrit Schulte naar het volk.

De wagen (‘Aangeboden door Breda Bier’) loopt vast, een streekbus uit Turnhout is door een afzetting geglipt, het startschot moet worden opgeschoven, de koers wordt van 160 naar 144 kilometer ingekort.

Maar daar staat-ie dan: Jan Janssen in de gele trui, klaar voor zijn tweede zege na Parijs. Chaam is een overzichtelijk rondje. Meer een kermiskoers. Je kunt er een voorsprong opbouwen en verdedigen. Wat ook gebeurt. Met een man of acht, zegt Janssen, gaan ze de voorlaatste ronde in. De climax is een kwestie

van een kwartier.

Janssen: ‘Ik had tegen Aimar gezegd dat hij tempo moest houden en tegen Bitossi dat die de sprint voor me moest aantrekken.’ De organisator vraagt, de renners draaien. Van de jonge Rini Wagtmans, die thuis was gebleven tijdens de Tour, was Janssen niet helemaal zeker. Hij kende de jonge prof niet zo goed. ‘Vijfhonderd gulden, zei ik tegen hem, ik wil graag winnen. Hij keek niet op of om. Nou, dan niet, dacht ik nog. Ik had nog makkelijk kunnen verhogen naar zevenhonderdvijftig, maar ik dacht: ach… kat in ’t bakkie.’

Janssen voelt nóg de verbijstering. ‘Bitossi trekt de sprint aan, al van heel ver, ik ga eroverheen, het is nog vijftig meter en er kómt me er toch één langs zeilen! Ik dacht: dat is niet waar zeker, die gaat toch recht in zijn remmen zeker? Neehee, die rijdt rechtdoor. Een blauwe Willem II. Wagtmans. Ik denk: Krijg nou wat! Ik stond perplex. Dat vond ik toch wel, eh… jammer, toen.

Zeg maar gerust: zwaar klote. ‘Eh, zwaar klote, ja. Ik begrijp die instelling wel: 21 jaar, 130-, 140 duizend mensen en dan de Tourwinnaar kunnen verslaan. Dat is wat. Maar ook een beetje kortetermijnpolitiek.’ Janssen doelt op de boetedoening die Wagtmans de koersen erna doet. Wagtmans heeft tegen de code van het peloton ingereden, de gevestigde orde getart, en voelt dat vervolgens in alle soorten wedstrijden.

Wagtmans vond dat hij er alle reden toe had het feestje van Janssen te verpesten. Hij was jong, ambitieus, zat op het privévlak in de problemen (schoonvader dood, diens zaak moeten overnemen inclusief belastingschuld, jong getrouwd, een kindje), wachtte ‘al maanden’ op een contract bij Janssens Pelforth, vond dat te lang uitblijven, tekende toen balsturig bij Willem II en had zich vanaf dat moment voorgenomen beter te worden dan Janssen; die hij bewonderde. Toen hij voor de Tourploeg geselecteerd werd, zei hij: ‘Ik rij mijn eigen kans; je denkt toch niet dat ik voor Janssen ga werken?’ Hij mocht niet mee.

De eerste kans om zijn gram te halen, was Chaam.

Cora: ‘Ik heb van Rini’s vrouw gehoord hoe boos hij was geweest toen Jan de Tour won. Rini lag met keelontsteking in bed en had Ria zien staan huilen voor de tv toen Jan op de schouders ging. Hij was zijn bed uitgestoven en had haar uitgescholden: Ja, ga nog een beetje mee zitten bleiten nu die kaffer de Tour wint.’

Chaam is amper een voetnoot op zijn palmares, zegt Janssen. ‘Totaal niet interessant. Ik vond het alleen verschrikkelijk voor mijn supporters. Die mensen was een feest afgenomen, en dat had Wagtmans op zijn geweten.’

Wagtmans daarover: ‘Op de finishfoto zie je duizenden mensen. Eén man lijkt te juichen. Maar die vuist is een vuist van woede.’

Janssen: ‘Dat was niet slim van hem, nee. Zo werkt het niet. Als je vijfde en zesde wordt in de Tour, kun je echt fietsen hoor. Maar hij heeft soms eigenaardige gedachten. Ik vond dat we voor de bühne tegenover elkaar moesten staan, zoals Anquetil en Poulidor, Van Steenbergen en Van Looy. Een beetje wat tegen elkaar roepen in de pers en ’s avonds lekker samen gaan eten. Maar dat wilde hij niet; hij was geen toneelspeler, zei hij.’

Janssen gunde Wagtmans tijdens de ontvangst op het stadhuis geen blik waardig. ‘Ik voelde overal de teleurstelling van de mensen.’

Cora dacht aan heel andere dingen. Niet winnen – ze vond het wel goed zo. ‘Er was zoveel bier doorheen gegaan, het was gewoon beangstigend. Ik weet niet wat er gebeurd was als Jan wél had gewonnen.’

Nu konden ze in ieder geval rustig naar de schone lakens in Ossendrecht.

 

Donderdag 26 juli

Om kwart voor zes ’s avonds staat Jan Janssen aan de propeller te draaien van een eenmotorig vliegtuigje op Lille Lesquin. Hij is knap zenuwachtig.

Jan: ‘Ik reed ’s middags in Valenciennes op de piste. En ik zou met een vliegtuigje via Lille naar Amsterdam worden gebracht. Huldiging van de Tourploeg in het Olympisch Stadion. Herman Krott zou me ophalen vanaf Schiphol.

‘Alles geregeld. Dat gedoe daar in Valenciennes is afgelopen om een uur of vijf, halfzes. Ik in trainingspak met mijn fiets en mijn koffertje naar een heel klein sportvliegtuigje. Ik stap in. Zegt die piloot: Ik moet in Lille nog even naar beneden om een paar papieren in te vullen. We vliegen naar Lille, hij gaat het douanekantoor in en vijf minuten later is hij terug.

‘Ik ben in het vliegtuigje blijven zitten. Hij start dat ding. Huhuhuh, niks; huhuhuh niks; huhuhuh niks. Zegt hij tegen mij: Als u even wilt uitstappen, meneer Janssen, en even aan die propeller wilt draaien? Ik: Wat zegt u nu? Hij: Ja, er gebeurt niks!

‘Dus ik eruit en aan dat ding draaien. Die sloeg dus niet meer aan. Ik zeg: En nu? Tja, zegt hij, het is kwart voor zes, en na zes uur mag ik hier niet meer weg. Ik: Jawel, maar ik moet vanavond naar Amsterdam, naar de huldiging van de Nederlandse Tourploeg, daar moet ik beslist naartoe. Hij: Ja, nou ja, sorry.

‘Ik naar binnen, of ik ergens kon bellen. Ik bel Amsterdam, het Olympisch Stadion. Mag ik de heer Mellegers? Die was toen directeur. Ik zeg: Ik sta hier in Lille, ik kan niet meer verder, ik kan vanavond niet komen. Hij: Wát! Niet kómen!? Er zitten hier veertigduizend mensen, dat kán helemaal niet! Ik zeg: Meneer Mellegers, met de auto kan ik niet komen, met de fiets kan ik niet komen, ik sta hier en kan niet anders. Kan me niet schelen wat je doet, schreeuwt hij, dan huur je maar een vliegtuig! Hier is het nummer van Martinair, bel dat.

‘Dus ik bel dat nummer, ik krijg een juffrouw aan de telefoon. Juffrouw, ik wil snel een vliegtuig huren, ik ben gestrand in Lille en ik moet naar Amsterdam. Zij: Wat? U maakt een grap zeker? Ik zeg: Nee, dit is helemaal geen grap. Geeft u mij de directeur!

‘Komt er een man aan de lijn, ik vertel het verhaal en ik zeg: ik moet vanavond absoluut nog in Amsterdam zijn. Ik zeg wie ik ben, ik ben gestrand, ik heb vanmiddag gereden in Valenciennes. Ik zeg: Ik ben Jan Janssen, ik heb de Tour de France gewonnen. Ja ja, zegt-ie, dat weet ik, dat weet ik, goh wat leuk joh! Enfin, een heel lulverhaal en die meneer vond het prachtig. Hij nog: En wie betaalt dat? Ik: Maakt u zich daar maar niet druk over, dat wordt geregeld. Nou, zegt hij, we komen eraan, hoor. We zijn in drie kwartier in Lille.

‘Ik heb daar een uur gezeten. En rond zeven uur zie ik een vliegtuigje aankomen. Een soort Dover, waar een man of twintig in kon. Hij ziet mij staan, geeft lichtseinen, en ik hup op de fiets de startbaan over, tas voorop, deur open, d’r in en weg. Wij vliegen in een zucht boven Amsterdam.

‘Die piloot zegt: We maken even een rondje boven het stadion. Ik kijk naar beneden en ik zie allemaal mensen, duizenden mensen! Enfin, geland op Schiphol, Krott staat klaar om me te halen. Vraag die piloot nog: Moet je vanavond ook weer terug? Ik zeg: Ja, ik moet morgen in Chäteaulun rijden, in Bretagne, en mijn auto staat nog in Frankrijk. Hij: Nou, wij moeten vanavond naar Parijs met een lading kuikens. Alle stoelen gaan eruit, er moeten driehonderdduizend kuikens in. Ik vraag: Kan ik niet meevliegen? Hij: Ja hoor, we kunnen wel een plekkie openhouden.’

Twintigduizend toeschouwers – Mellegers had zich verteld – juichen Jan Janssen en ‘zijn Drie Musketiers’ (dixit Barend Barendse) toe. Janssen doet een paar wedstrijdjes, maakt ook hier een rondrit, wordt overladen met geschenken (onder meer een bord Makkumer aardewerk, namens de gevangenen in de Leeuwarder strafgevangenis, die hebben genoten zondag) en hij hoort en passant hoe de platenindustrie aan de haal is gegaan met zijn gele trui.

CNR komt met een 33-toerenplaatje: Hij heeft gewonnen! ‘Eén brok drama, geknipt voor de hitparade.’ Het is het radioverslag van Theo Koomen en Jan Wauters, inclusief andere geluidsbanden van KRO, NCRV en NRU, maar exclusief het Pellenaars-interview.

Phonogram heeft Ted de Braak: Jan je bent geweldig. Bovema het duo De Gerto’s: Jan, Jan, Jan en Wat Jan kan, kan Jan alleen. Johnny Hoes laat de Zangeres Zonder Naam Kleine Jantje zingen. De Heikrekels doen De gele trui is in de rui, Zwarte Lola kweelt Het begon met een lekke band, en daarna liep het uit de hand en Slome Japie zingt Jan, Jan, Jan, zoals jij het kan, kan niemand er wat van.

Janssen laat het allemaal over zich heengaan. Hij moet nog naar Frankrijk, waar Pelforth-ploegmaat Johnny Schleck de Mercedes reeds richting Bretagne stuurt. En waar Janssen nog een late aansluiting op Brest hoop te halen.

‘Dus ik doe die huldiging in het Stadion, het is afgelopen, Krott brengt me naar Schiphol, dat vliegtuig staat klaar, helemaal vol gestapelde kisten kuikens. In het midden zie ik een stoeltje in een ruimte van twee bij een meter. Daar kan ik gaan zitten. Fiets erin en zo naar Parijs toe.’

Jan Janssen eenzaam tussen driehonderdduizend kuikens. Een rekening heeft hij nooit gezien, en in een geler entourage heeft hij nooit gezeten.

Jan: ‘Nooit, nóóit!’


Eerder gepubliceerd in De Muur, nummer 21, juni 2008


Leave a Reply