Bram Tankink ontsnapt; en dat was geen toeval

• Gratis •


Another brick in the wall


Auteur: Bert Wagendorp

Bram Tankink mag er zijn, van zichzelf. De vrouw bij wie hij in  therapie zat, vroeg het hem: ‘Maar vind je zelf dat je er mag zijn, Bram?’ Eerst dacht Bram: ‘Wat een kutvraag.’ Maar na maanden nadenken durft hij het nu hardop te zeggen: ‘Ja, je mag er zijn, Bram.’

Dit stond afgelopen zaterdag in de Volkskrant. Het klinkt misschien alsof Bram Tankink een overdosis mindfulness had gekregen – of dat hij te veel naar De Luizenmoeder had gekeken – maar zo was het niet. Het was een open en oprecht interview dat Bram Tankink gaf aan Iwan Tol, over zijn lange jaren in het peloton en over het beeld dat er in die tijd – vooral dankzij hemzelf, dat moet je er wel bijzeggen – van hem was ontstaan. Over wat hij allemaal had weggestopt, achter die guitige blik van hem.

   Bram de Lolbroek, met zijn Twentse accent.

   Wielrenners zijn net mensen, alleen worden ze zo niet benaderd. Ik weet het nog maar al te goed uit mijn jaren als wielerverslaggever: de journalist is op zoek naar karakters, niet per se naar mensen. Hij wil oorspronkelijke karakters met bruikbare teksten. Gerrie Knetemann bouwde er een carrière op, zelfs in de diepste ellende bleef hij Gerrie Knetemann neerzetten, De Kneet, hoofdpersoon in de soap Gerrie, het leven van een wielrenner, met een mooie bijrol voor Greet, de slagersdochter.

Dat er achter de lolbroek een eeuwig twijfelend mens schuilging, dat de grote bek vooral onzekerheid moest verhullen: dat interesseerde niemand iets. Zolang hij maar in zijn rol bleef. (In het ziekenhuis, na zijn bijna fatale ongeluk: ‘Dokter, zal ik ooit nog kunnen pianospelen?’ Dokter: ‘Jazeker, heer Knetemann, het komt allemaal goed.’ Knetemann: ‘Wat heerlijk, want ik kon helemaal niet pianospelen!’)

   Ook Bram Tankink had heel snel in de gaten dat de wielerprof zijn brood niet alleen op de fiets verdient, maar ook ernaast. De tv-ploeg moet na de finish snel werken, want anders zijn de renners weg. Dat dwingt tot het vermijden van risico’s; Bram Tankink, altijd goed. Weet precies wat er van hem wordt verwacht en wat er in de microfoon onder zijn neus moet, wat de hongerige man voor zijn neus graag in zijn aantekenboekje wil noteren. Iets om te lachen, een paar zinnen typisch Bram Tankink. Goed voor de ploeg, goed voor Bram Tankink.

   Altijd een beetje dat nerveuze, Bram Tankink. Die blik, ergens halverwege lach en weemoed. De snelle lach, maar nooit de bevrijdende lach. Je kon heel goed zien dat er meer was dan alleen de Bram Tankink van de grap en de grol. Dat hij zich keurig aan het script hield, maar dat er een verschil was tussen wielerpersonage en de man zelf.

   Bram Tankink heeft zich een loopbaan lang weggecijferd. Altijd maar fietsen in dienst van anderen, twee overwinningen in achttien seizoenen. Dat was hem van jongs af aan zo aangeleerd, thuis, met een spastische zus naar wie alle aandacht uitging, dus hij had er niet zoveel moeite mee. Dacht hij.

   Jezelf wegcijferen: wie het doet wordt alom geprezen, maar eigenlijk is het een vorm van zelfvernietiging, van karakterzelfmoord.

En daarom ging Bram Tankink dus in therapie.

   Er zat al een jaar of twaalf een schelle piep in zijn oor, hij werd er gek van. Gevallen, te dicht bij een box gestaan bij een optreden, zoiets moest het zijn. Maar toen hij na de therapie een beetje in het reine was gekomen met zijn verleden, was de piep bijna weg. Bleek het al die tijd een alarmwekkertje te zijn geweest. Hé, Bram, schei eens een keer uit met dat wegcijferen en opofferen man.

   Achttien jaar lang gevlucht op de fiets. Ontsnapt aan zichzelf, nooit aan het peloton. Maar uiteindelijk toch teruggepakt. Hij moet het al die tijd hebben geweten: Bram Tankink is een van de eerste van de hoogopgeleide wielrenners die tegenwoordig het peloton bevolken, had de fiets hem niets geïnteresseerd, dan was hij nu ingenieur hydrologie geweest. Een zichzelf wegcijferende ingenieur in de hydrologie die ook in therapie had gemoeten.

   Bram Tankink had mijn boek Ventoux gelezen. Ik kwam hem tegen bij de bus van zijn toenmalige ploeg Belkin.

   ‘Verdomme, fijn boek man!’ zei Bram.

   ‘Dankjewel,’ zei ik.

   ‘En wat ik nou zo stomtoevallig vond,’ zei Bram, ‘dat was dat die ene vriend, die André, dat die ook Tankink heet! Ongelooflijk!’

   Ik zei dat het geen toeval was en dat hij het maar als een klein eerbewijs moest zien.

   Zondag ontsnapte Bram Tankink al vroeg uit het peloton in de Amstel Gold Race en bleef heel lang vooruit. Dat was de eerste keer in vijftien edities en dat was ook geen toeval. 


‘Another Brick In The Wall’ is een serie columns van De Muur meesters zelve: Peter Ouwerkerk, Bert Wagendorp en John Kroon.


 

Leave a Reply