45 OPGESTOKEN MIDDELVINGERS NAAR DE ZIEL VAN HET SCHAATSEN


Wil het schaatsen niet naar de gallemieze gaan, moet het terug naar zijn roots. Het roer moet drastisch om: een pleidooi voor de terugkeer naar weer en wind, naar de buitenbaan. Naar Moskou, Londen, Peking, Brussel, Parijs. En naar Bislett.

Voor het eerst sinds het wereldkampioenschap schaatsen voor mannen van 1980, op de toen nog open baan van Thialf in Heerenveen, heb ik tickets voor een WK schaatsen. Gewone kaartjes, geen vip-kaarten, sponsorkaarten of perskaarten, maar zelf betaalde kaarten van zeventig euro per stuk per dag. De prijzen zijn flink omhooggegaan.

Ik ga met mijn broer, een schaatsliefhebber pur sang die de tribunes van de grote wedstrijden ook al een tijdje links heeft laten liggen (zeker dertig jaar).

In maart gaan wij naar het WK voor mannen en vrouwen op de ‘Coolste Baan van Nederland’. Mijn broer en ik vinden dat de bedenker van die term moet worden afgerost met van die leren schaatshoezen die vroeger om de ijzers van je noren zaten, tot hij zijn diepe spijt heeft betuigd en heeft beloofd dat het niet nog een keer zal gebeuren.

Je wordt gek van die hipsters die onze taal mishandelen met hun fokking armzalige namaakidioom. Mijn broer en ik gaan naar het WK in het Olympisch Stadion, de meest geheiligde sportplek van Nederland. Mocht je ons tegenkomen, begin dan niet over de Coolste Baan, want de combinatie van ijs en frisse buitenlucht maakt ons gemakkelijk agressief. Dat kan bepaald onaangenaam uitpakken. Het ijs haalt dingen naar boven die meestal verborgen blijven onder een laagje beschaving. Langs de ijsbaan zijn wij allergisch voor aanstellers. Elders ook, maar op het ijs (zeker als het sneeuwt) wordt het sterker en is het bijna niet meer in de hand te houden. Zeker na een paar slokjes.

Die ellendige dweilorkesten moeten trouwens ook oppassen, want die haten wij ook; het gaat nog een keer gebeuren dat zo’n trombonespeler met z’n schuiftrompet als een stropdas om zijn nek moet worden afgevoerd.

Verder verheugen wij ons immens op het WK.

Ik schreef dat ik in 1980 voor het laatst naar een WK schaatsen ben geweest. Als gewone schaatsfan, bedoelde ik. Het was het WK waar Hilbert van der Duim Eric Heiden versloeg. Maar die kwam ook niet vooruit, met vijf gouden olympische medailles om zijn nek. Niettemin juichten wij Van der Duim hartstochtelijk toe – je moest wel, om warm te blijven.

Helemaal bovenin de lichtmast in ons vak stond een jongen op klompen met losse handen vervaarlijk heen en weer te zwaaien; wij verwachtten dat hij elk moment als Superman naar beneden kon stagediven, maar hij wist zijn evenwicht te bewaren. Pas later hoorde ik wie hij was (van hemzelf): Wopke de Vegt, de eerste coach van de geprofessionaliseerde Rintje Ritsma, de directeur van de Coolste… pardon, van de ijsbaan in het Olympisch Stadion.

Ik heb in de jaren nadien nog heel wat WK’s live meegemaakt. Niet op de tribune tussen de andere liefhebbers dus, maar als journalist voor de Volkskrant. Ik heb Leo Visser wereldkampioen zien worden in Oslo – helaas niet in het legendarische Bislett, maar op de bevroren dodenakker van Valle Hovin, want voor Bislett vroor het niet hard genoeg. Ik zag Koss winnen in Innsbruck (openlucht) en in Thialf (overdekt). De allang vergeten Roberto Sighel won in Calgary (overdekt) en Falko Zandstra in Hamar (overdekt).

Maar vooral zag ik Nicolaj Goeljajev wereldkampioen worden in Thialf Heerenveen, de eerste keer dat een WK werd gehouden onder een dak, op 14 en 15 februari 1987.

Ik was destijds schaatsverslaggever van de Leeuwarder Courant. Schaatsverslaggever zijn in februari 1987 was hetzelfde als Duitslandcorrespondent zijn ten tijde van de val van de Muur of stadsverslaggever in Hiroshima op 6 augustus 1945. Je was getuige van de komst van een nieuw tijdperk, van een gebeurtenis die bepalend zou blijken voor de jaren erna. ‘Het begin van de rest van de schaatshistorie,’ schreef ik in de LC met een opmerkelijk goed gevoel voor drama en de gewichtigheid van het moment.

Ik behoorde, het is wel even belangrijk dat vast te stellen, in 1987 niet tot degenen die de overdekking van Thialf, en daarmee van het langebaanschaatsen als geheel, betreurden. Ik hield er destijds vooruitstrevende opvattingen op na en zag de vooruitgang weerspiegeld in het dak. Was niet de hele sportgeschiedenis een voortdurende herhaling van steeds dezelfde beweging: van buiten naar binnen? Basketbal, volleybal, handbal, ijshockey, atletiek, wielrennen: steeds zag je de drang wat was begonnen als een buitenactiviteit naar binnen te verplaatsen. Zelfs het voetbal verplaatste zich naar stadions die konden worden gesloten bij miezerregen of sneeuwbuien.

Het schaatsen voegde zich naar een onvermijdelijke wetmatigheid en stapte in Thialf 1987 de moderniteit binnen. Vond ik toen. Het WK was een doorslaand succes, ondanks het ontbreken van Nederlands succes. Het regende wereldrecords en iedereen verklaarde dat een nieuwe schaatsera was begonnen. Spoedig zouden wij terugkijken op de heroïsche tijden van Bislett, Ullevi en het oude Thialf als iPhoneverslaafden naar een bakelieten PTT-telefoon met draaischijf. Leuk, maar volkomen absurd.

In de hal was het warmer en ook veel eerlijker. Was niet de vader van Sven Kramer ooit zijn enige hoofdprijs misgelopen door de wisselende weersomstandigheden bij een EK in Den Haag? In de hal was het ook veel comfortabeler voor het publiek – het zakflaconnetje beerenburg dat je met je verkleumde vingers amper open kreeg, was definitief ingeruild voor een single malt whisky aan de bar met zachte loungemuziek.

Maar gaandeweg het overkappingsproces dat de schaatssport veranderde, begon ik te twijfelen. In het Vikingskipet in Hamar bijvoorbeeld, bij de Spelen van 1994. Ik stelde me voor hoe het was geweest in Bislett, de oude schaatstempel in Oslo, of op het ijs van het Hamar Stadion, even verderop in het dorp. En ik dacht: het zou onvergelijkbaar zijn geweest – onvergelijkbaar veel mooier, indrukwekkender, heroïscher, onvergetelijker.

Het dak hield regen en sneeuw tegen, maar ook de warmte van het leven en de spontaniteit. De schaatssport was er het tijdperk van de kunstmatigheid mee binnengetreden, dat van de voorspelbaarheid en de bacterievrije steriliteit. Ik zag hoe Dan Jansen door de hal werd gevoerd, nadat hij eindelijk zijn gouden olympische medaille had veroverd. Mooi en ontroerend, maar het decor was onecht en deed afbreuk aan het dramatische verhaal.

Ik had Jansen in de stralen van de lichtmasten van Bislett willen zien, zoals ooit Kees Verkerk en Ard Schenk na hun wereldtitels, toen ze daar rondreden als ijsheiligen met een krans om hun nek. Hoeveel mooier was dat niet geweest? Oneindig veel mooier.

Mijn opvatting over het overdekte schaatsen begon te schuiven als het schuifdak van een stadion. We hadden een van de grootste kwaliteiten van het schaatsen, die buitensport par excellence, bewust vernietigd en ingeruild voor zielloos comfort. In het Vikingskipet zetten ze soms de deuren open om Noorse schaatsers te bevoordelen en de gecastreerde goden van weer en wind weer een klein beetje hun verloren macht terug te geven, een even sneue als onsportieve manoeuvre.

Was er op de wereld een ziellozer ijsbaan dan die van Calgary? Zeker, zo bleek in de jaren die volgden. Onpersoonlijke parkeergarages in Rusland, de moord op de wonderbaan van Inzell; de amper van elkaar te onderscheiden hallen rezen als paddenstoelen uit de grond. Wereldwijd zijn er nu 45 overdekte en semi-overdekte ijsbanen: 45 godverdommes, 45 opgestoken middelvingers naar het diepste wezen van het langebaanschaatsen.

De sporters zelf vonden het allemaal prima. Die kijken nu eenmaal alleen naar persoonlijke records en prijzen, en denken dat het daarom draait. Maar je moet de sport ook nooit in handen geven van zijn atleten. Die denken doorgaans dat de sport ten diepste bestaat om hun een podium te bieden om op te shinen – ze hebben ook helemaal geen tijd om na te denken en vast te stellen dat dat onzin is.

Hoewel ze dat inmiddels lijkt te zijn vergeten, schaatst Ireen Wüst louter bij de gratie van haar publiek; het belang van haar prestaties bestaat uitsluitend in de erkenning van degenen die er getuige van zijn. Anders zou ze ook gerust een 3 kilometer kunnen rijden, maar dan wel in een vacuüm en volstrekte anonimiteit. De zinloosheid van haar exercitie zou pijnlijk zijn om aan te zien.

Soms werd er nog een toernooi verreden in de buitenlucht, zoals het WK van 2001 en het EK van 2012 op de Városligeti Műjégpálya-baan in het stadspark van Boedapest – een schaatshal zou nooit zo heten. Schaatsjournalisten rammelden onmiddellijk termen als ‘sprookjesachtig’ uit hun toetsenbord – wat nou, ‘sprookjesachtig’? Met sprookjes had het niks te maken, alleen zat er nu een generatie achter de laptop die niet meer wist dat wat ze zagen de ziel van het schaatsen was.

Intussen ben ik verder geradicaliseerd. Ik ben een schaatsjihadist geworden. Ik ben ervan overtuigd dat het schaatsen naar de gallemieze gaat als het roer niet drastisch wordt omgegooid. En met drastisch bedoel ik ook echt drastisch. Wie wil er nog veel langer kijken naar eindeloze rondjes in een doorgaans lege hal – alleen Thialf loopt nog met enige regelmaat vol – waar de echo van het startschot klinkt alsof er iemand wordt geëxecuteerd? Ik sla het zelf weleens over, moet ik erkennen. Wie wil er naar geamputeerde sport kijken? Naar een sport die zich heeft losgesneden van zijn roots?

Vraag het de marketingmanagers, de profeten van onze tijd. Ze zullen je vertellen dat schaatsen op weg is een sport te worden waarvoor alleen een enkele zestigplusser nog thuisblijft. Nederlanders blijven nog in redelijke aantallen voor de televisie zitten tijdens een groot toernooi, maar daarmee zijn ze uniek in de wereld.

Ik zeg het niet graag, want ik ben een liefhebber, maar het langebaanschaatsen is op sterven na dood. Sven Kramer is een reus in Nederland, maar een dwerg in de internationale sport. Het wachten is op het vuurpeloton van het Internationaal Olympisch Comité, dat alleen nog weigert er een einde aan te maken vanwege gebrek aan alternatieve wintersporten. Was schaatsen een zomersport, dan zou het zijn olympische status allang zijn kwijtgeraakt.

De enige weg terug is die naar buiten. Het schaatsen moet zijn oude verbinding met de buitenlucht, met de elementen en het leven, in ere herstellen. Het moet ruiterlijk erkennen dat de overdekking van de sport een geweldige blunder was en een poging tot langzame suïcide –en terugkeren op zijn schreden.

Het is niet goed gegaan met het schaatsen sinds we indoorbanen zijn gaan bouwen. Ik weet niet of de internationale versmalling van de sport van de afgelopen decennia daarmee samenhangt, maar het zou me totaal niet verbazen. Ze hebben de schaatssport opgesloten in hallen, Nederland voorop, en dat lijkt me voor een Zweeds of Fins jongetje geen opwekkend gezicht. Bovendien is het speelveld daardoor zo ongelijk geworden, dat de moed je als niet-Nederlander al in de schoenen zinkt voor je bent begonnen.

Maar het meest desastreuze voor zijn aantrekkingskracht is natuurlijk dat het schaatsen, ooit een sport voor stoere types met antivries in de bloedvaten, zichzelf met de hallen het imago van een sport voor watjes heeft bezorgd. Wie voelt zich aangetrokken tot slappelingen die verwarmd aan wintersport doen?

Dit klinkt als de hallucinatie van een verstokte conservatief, als het verlangen van een weemoedige grijsaard, als de sportparagraaf in het programma van Forum voor Democratie. Dat is het allemaal niet. Ik denk dat het schaatsen zijn vitaliteit kan terugvinden, ook internationaal, als de sport zich bevrijdt uit de couveuses en zich weer verzoent met zijn natuurlijke omgeving en de elementen – sinds we de technische middelen hebben om prima ijsbanen aan te leggen waar we maar willen, zijn de mogelijkheden eindeloos.

Moge het straks in het Olympisch Stadion waaien en sneeuwen. Laat het geen eenmalige oefening zijn; dan kan het net zo’n belangrijke ommekeer blijken als het WK van 1987 – maar dan in de juiste richting. In de stad waar hij 125 jaar geleden tot de eerste wereldkampioen werd gekroond, zou Jaap Eden eindelijk zijn eigen sport weer herkennen.

Het WK schaatsen op het Rode Plein in Moskou, het Hemelse Plein in Peking of Piccadilly Circus in Londen; op de Grote Markt van Brussel, in het Jardin du Luxembourg in Parijs, Central Park in New York, het Olympisch Stadion van Helsinki. In de Grosser Tiergarten in Berlijn of de Kungsträdgården in Stockholm.

Terug naar Bislett.


door BERT WAGENDORP


 

Leave a Reply